Kunstenaar Marie H. Mackenzie 4119
MH Mackenzie
's-Gravelandse vaart
olie op paneel, gesigneerd
verkocht

Marie H. Mackenzie


Verkocht

4119
MH Mackenzie
‘s-Gravelandse vaart
olie op paneel, gesigneerd
verkocht

Website – Object vraag reactie

Marie H. Mackenzie

Rotterdam
1878

1961

Hilversum

Over de schilder Marie Henri Mackenzie is niet veel bekend. Tijdens zijn leven exposeerde hij pas op latere leeftijd en na zijn dood werd er slechts eenmaal een expositie aan zijn werk gewijd. Dit is verwonderlijk omdat Mackenzie een van de leerlingen van Breitner was en in zijn werk sterk door zijn leermeester werd beïnvloed. Zo groot zijn de overeenkomsten met het werk van Breitner, dat in de loop der jaren vele “Mackenzies” door vervalsers tot “Breitners” zijn getransformeerd.

Marie Henry Mackenzie werd op 3 augustus 1879 in Rotterdam geboren. Hij overleed in zijn toenmalige woonplaats Hilversum op 30 december 1961.

Mackenzie woonde en werkte o.a. in Rotterdam, Londen, Bakoe (aan de Kaspische zee) en terug in Holland verbleef hij tot zijn overlijden in Hilversum.

Hij was leerling aan de Akademie van Beeldende Kunst te Rotterdam en later in Amsterdam, kreeg hij les van Breitner.

Mackenzie was aanvankelijk in dienst bij een oliemaatschappij en schilderde hij toendertijd slechts als liefhebberij. In de crisisjaren (1931) kreeg hij zijn ontslag. Vanaf die tijd legde hij zich volledig toe op de kunst.

M.H. Mackenzie schilderde en tekende landschappen, stads- en havengezichten (meestal Amsterdam), figuren en portretten. Hij was lid van St. Lucas te Amsterdam en tevens lid en medeoprichter van de Hilversumse Vereniging van Beeldende Kunstenaars.

Diverse musea bezitten werk van de hand van Mackenzie. O.a. het Goois Museum in Hilversum.

info: Scheen, Benezit

Meer over Mackenzie:
Mackenzie’s vader was handelaar in koffie en thee en ook zijn zoon werd voorbereid op een carrière in de handel. In Rotterdam bezocht hij de Handelsschool en werd vervolgens op een kantoor geplaatst. Mackenzie bleek zich echter meer voor tekenen en schilderen te interesseren dan voor de handel. Zelf schreef hij hierover:” Zoodat mijn vader uit hoofde van mijn lust altijd te willen teekenen, mij naar de Rotterdamse Academie stuurde, waar ik onder Schipperus werkte”. Om financiële redenen moest hij echter de Academie echter na anderhalf jaar weer verlaten. Hij keerde terug naar de handel in o.a. groente en fruit en werkte daarna achtereenvolgens voor verschillende oliemaatschappijen. Hierbij reisde hij veel door Rusland, Duitsland, Engeland en Schotland. Hij woonde 5 jaar in Londen en trad tenslotte in dienst van de Amerikaanse oliemaatschappij Standard Oil Company. Voor zijn werk verhuisde hij in 1910 van Rotterdam naar Amsterdam. Hier had hij veel vrije tijd en kon hij vele uren aan het schilderen wijden. Overdag zwierf hij door Amsterdam en maakte hij vele schetsen die hij later in zijn atelier uitwerkte. In de avonduren aquarelleerde hij. In Amsterdam woonde hij aanvankelijk aan de Amsteveenseweg, later verhuisde hij naar de Admiraal de Ruyterweg. In dit huis had hij een groot atelier op het noorden.

Behalve zijn eigen werk, hing hier ook werk van de Haagse schilders. Mackenzie had in de loop der jaren een grote collectie schilderijen van de Haagse School schilders aangelegd. Veel werk kocht hij op kunstveilingen. Zo had hij een collectie schilderijen van Louis Apol, maar ook bezat hij ongeveer 20 schilderijen en studies van Breitner.

In 1917 had Mackenzie kennis gemaakt met Breitner. Zelf schreef hij aan H. van Calker over die vriendschap, die hieruit voortkwam: Ik was bevriend met Breitner. Wij kwamen vaak bij elkaar aan huis. Meermalen kocht ik studies van hem.

Een verslaggever van de Gooise Courant schreef in 1956, toen Mackenzie reeds geruime tijd in Hilversum woonde, het volgende over de collectie van de schilder: Wie voor de eerste maal te gast is van de kunstschilder M.H. Mackenzie waant zich in een museum of een kunsthandel. De gang en de huiskamers hangen vol schilderswerken, pastels,tekeningen en etsen. Maar het merendeel, ongeveer 400 werkstukken, waarvan 60 van kunstbroeders van de heer des huizen zijn op het zolder-atelier opgeborgen.

Pas in 1924, op 46 jarige leeftijd debuteerde Mackenzie met zijn werk. In 1923 was hij zowel door de Amsterdamse vereniging St. Lucas als door de vereniging ‘De Onafhankelijken” als lid geaccepteerd. Hij debuteerde op de wintertentoonstelling van St. Lucas die in 1924 in het Stedelijk Museum in Amsterdam werd gehouden met twee schilderijen. Zelf schreef hij hierover aan H. van Calker: Tijdens mijn debuut met twee schilderijen op de St. Lucas, complimenteerde Prof. Jurres mij met de inzending van een vanuit mijn atelierraam te Amsterdam geschilderd doek “heiwerk aan de slatuinen”, terwijl wijlen Prof. Krabbe naar mij toekwam en zei: “je hebt het motief verslonden als een leeuw die een stuk vleesch verslindt”. Deze lovende woorden maakten diepe indruk op Mackenzie.

In Amsterdam woonde hij met zijn vrouw en twee kinderen aan de Admiraal de Ruyterweg. Dit was een nieuwe buurt van Amsterdam met dure huurhuizen. Toen Mackenzie in 1931 tengevolge vande crisis door de Standart Oil Company werd ontslagen, besloot hij naar Hilversum te verhuizen, waar de huren aanzienlijk lager lagen. Tot zijn pensionering behield hij een uitkering van de maatschappij. Desalniettemin werd hij voor zijn inkomen meer afhankelijk van de verkoop van zijn schilderijen. Hij verkocht zijn werk d.m.v. verkoopexposities, maar voornamelijk door de verkoop direct aan verschillende kunsthandelaren. Tijdens W.O. II ging hij er toe over zijn werk direct aan particulieren te verkopen.

Vanaf 1932 exposeerde Mackenzie regelmatig met de vereniging van Beeldende Kunstenaars in Hilversum, waarvan hij een van de mede-oprichters was. Behalve in Nederland nam Mackenzie ook deel aan tentoonstellingen in het buitenland. In 1938 exposeerde hij in Antwerpen, in 1940 in Brussel en in 1950 in Mexico.

Op 30 december 1961 overleed Mackenzie in Hilversum. Kort voor zijn dood had zijn leerling Jan Korthals nog een portret van hem geschilderd.

het contact met Breitner:
Mackenzie heeft altijd een grote bewondering gehad voor de schilder Breitner. Nadat hij zich in 1910 in Amsterdam had gevestigd en meer tijd had gekregen om te schilderen, richtte hij in 1917 een verzoek tot Breitner om een aantal lessen bij hem te mogen volgen. Het antwoord van Breitner luidde; het is heel moeilijk u antwoord te geven op wat u vraagt zonder iets van uw werk te hebben gezien. Ik wil daarom wel eens bij U komen kijken. Schikt het u zondagochtend tussen 11 en 12 uur?” . Dit leidde tot een vriendschap die tot Breitners dood in 1923 zou blijven bestaan. Beide schilders hebben nooit echt samengewerkt. Ze hebben nooit een atelier gedeeld en zijn er nooit samen op uit getrokken om te schilderen. Breitner gaf Mackenzie algemene adviezen betreffende kleurgebruik en de te kiezen onderwerpen. Doordat Mackenzie zo’n groot bewonderaar van Breitner’s werk was, liet hij zich sterk door hem beïnvloeden.

Mackenzie kocht vaak studies van Breitner om deze uit zijn voortdurende financiële problemen te helpen. Ook leende hij geld aan Breitner en hield dan werk in onderpand, zoals blijkt uit een brief uit 1921 van Breitner aan Mackenzie: U zoudt mij een groot genoegen doen als U mij 150 gulden zou willen lenen voor de tijd van twee maanden. U kunt dan de schets van paarden op de brug zoolang als onderpand aanhouden. Bijna alle brieven die Breitner aan Mackenzie schrijft gaan over geld. Geld dat Breitner van hem zou lenen of had geleend. Breitner had grote financiële problemen in die tijd. Hij was veel ziek en kon minder werken.

Breitners invloed op Mackenzie:
H. van Calker schreef over de invloed van Breitner op het werk van Mackenzie het volgende: Deze grootmeester heeft stellig het werk van Mackenzie beïnvloed, niet alleen wat betreft de keuze van onderwerpen, maar ook ten aanzien van de visie, welke hij op het stadsbeeld kreeg. Beide kunstenaars schilderden Amsterdam: de grachten, de binnenstad, de afbraak van het oude Amsterdam en de bouw van het nieuwe. Evenals Breitner zocht mackenzie zijn motieven steeds vaker in de binnenstad. In de schilderijen van Mackenzie spelen figuren echter een ondergeschikte rol. Hij schilderde de stegen, de grachten, waaronder het Kolkje en de boten in de grachten. Ook die gedeelten van de stad waar werd gebouwd hadden zijn belangstelling.

Info: Scheen / Benezit

Persbericht
door Jeanette Schipper, Galerie Wijdemeren

Marie Henri MacKenzie (1878-1961),
Breitners talentvolle leerling,
uitgelicht door Galerie Wijdemeren

Voorjaar 1937: De Hilversumse kunstschilder Marie Henri MacKenzie liep door de Roelof Hartstraat in Amsterdam. In de vitrine van kunsthandel Edel stond zijn schilderij “Paarden op de Lindengracht”. Toen hij de signatuur ontdekte, stapte hij verontwaardigd de zaak binnen. “Dit is geen Breitner! Dit heb ik gemaakt!”

Het verhaal van een leerling die zich uit de schaduw van zijn leermeester schilderde. Nadien dook er wel vaker een doek van zijn hand op, met de signatuur van Breitner. Een kleine twintig jaar na het voorval in de Roelof Hartstraat bijvoorbeeld stond MacKenzie voor de tweede keer aan de basis van een ontmaskering. Een Bussumse kunsthandelaar wilde bij een Amsterdamse collega een schilderij van Breitner kopen, getiteld “Paard bij een heistelling”. De Bussummer stak eerst zijn licht op bij de als Breitnerdeskundige bekend staande MacKenzie, die echter kon meedelen dat het doek van hemzelf was. In de loop der jaren zijn diverse Breitners opgedoken, die bij nader inzien van de hand van zijn Hilversumse leerling waren. Ontdekkingen die volgens kunstkenners een topje van de ijsberg vormen.

MacKenzie koos aanvankelijk dezelfde onderwerpen als zijn leermeester: bouw en afbraak, gevels en daken, sleperspaarden, grachten. Zijn kleurgebruik was ook vrij somber: bruinen en grijzen met kleine accenten van rood, blauw of geel. Sommige critici noemden zijn schilderijen donker en kleurloos. Het kiezen van een heldere dag is aanbevolen , adviseerde een recensent. Later werd zijn werk persoonlijker en zijn kleurengebruik lichter en vrolijker, de tinten meer contrasterend.

Het was dus geen slaafs navolger, maar een goede leerling die zijn eigen weg is gegaan. Een leerling, die desondanks lange tijd in de schaduw van zijn meester heeft gestaan. Maar ook een láte leerling: hij debuteerde pas op 45-jarige leeftijd als schilder. De economische crisis in die jaren, zorgde ervoor dat MacKenzie zeeën van tijd kreeg om te schilderen. Het gezin Mackenzie vestigde zich in 1931 in het goedkope Hilversum, aan de Multatulilaan. Het atelier beviel de schilder echter niet, zodat hij drie jaar later naar een woning op de hoek van de Taludweg en de Potgieterlaan verkaste. Samen met enkele collega’s richtte hij de Vereeniging van Beeldende Kunstenaars te Hilversum op. MacKenzie exposeerde regelmatig met de andere leden van de vereniging. Ook nam hij deel aan enkele exposities in het buitenland. In april 1938 verhuisde het gezin naar de Gijsbrecht van Amstelstraat (no. 394). in de oorlog ruilde hij zijn werk voor levensmiddelen: dat heeft het gezin erdoor geholpen.

Mackenzie ging vaak naar Amsterdam om schetsen te maken, die hij dan thuis uitwerkte. Stadsgezichten en havens vond hij het mooist. Die liefde voor de stad had hij van Breitner. Hij schilderde en tekende oude gevels, steegjes, boten, werkpaarden, bouwputten en heistellingen. Verder hield hij veel van schepen en de hele bedrijvigheid daaromheen. Zelf zeilde hij veel op de Loosdrechtse Plassen. geholpen vertelt zoon William. MacKenzie deed in Amsterdam inspiratie op, maar ook in plaatsen als Amersfoort, Volendam en Spakenburg (die botters trokken hem erg aan). Verder werkte hij in het buitenland (Parijs, Londen, Brussel en Brugge). Hoewel Hilversum (en directe omgeving) hem als schilder minder aansprak, vereeuwigde hij onder meer de Oude Haven, afbraakpandjes in de Langestraat, het Spanderswoud, De Hoorneboeg en Groenekan. Een geliefd onderwerp was verder het Hilversumse zigeunerkamp. Dat lag aan de Vaart, iets voorbij Paviljoen Wildschut. Dat Kampje vond ‘ie nogal picturaal. Een kunstrecensent van Trouw schreef in november 1947 dan ook: het meest zichzelf is MacKenzie bij de kermiswagens, bij dit volkje gaat zijn hart open, wordt hij romantisch en af en toe zelfs fel van kleur.

Schilderen en nog eens schilderen, dat was het enige wat hij wilde. Hij verbleef veelal de hele dag in zijn atelier, of ging met de fiets op pad. Hij was erg op zichzelf. Hij ging helemaal op in zijn werk. Hij schilderde niet alleen, hij kocht, ruilde en kreeg regelmatig werk van collega’s. Zo leende Breitner, die voortdurend in financiële nood verkeerde, nogal eens geld bij MacKenzie en gaf hem dan werk in onderpand. Bijna alle brieven die Breitner hem schreef gaan over geld. De Hilversummer kocht ook werk van Haagse Scholers als Louis Apol, van Israëls, van de Marissen. Na zijn dood ging zijn kunstcollectie voor een appel en een ei van de hand. MacKenzie bezat onder meer zo’n twintig schilderijen en studies van Breitner, stukken waarvoor tegenwoordig duizelingwekkende bedragen worden neergeteld. Breitners zijn zeer gezocht en torenhoog geprijsd. Ze worden steeds minder te koop aangeboden, hebben hun plek in een collectie van een museum of een gefortuneerde verzamelaar gevonden. Maar de meester heeft zijn leerling in het kielzog meegesleurd. Omdat stijl en onderwerpkeuze van beide schilders grote gelijkenis vertonen, is ook het werk van MacKenzie populair (en prijziger) geworden.

Galerie Wijdemeren stelt in haar expositie “Wintertaferelen” een bijzonder wintergezicht van Henri Mackenzie ten toon. Aanvankelijk leek het een vrij somber en donker schilderij. Maar bij het schoonmaken bleken er prachtige volle kleuren tevoorschijn te komen. Het schoonmaakproces is nog in volle gang. Het doek is daarom in verschillende stadia te bezichtigen tijdens deze expositie. Via het internet/email kunt u op de hoogte gehouden worden van de staat/voortgang van dit werk.

info: Lexicon Pieter A. Scheen, RKD

Ook te koop van Marie H. Mackenzie

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van onze activiteiten in de kunst abonneer u dan op onze nieuwsbrief en ontvang deze in uw mailbox.